Puls en tempo
Onder bijna elke muziek tikt een vaste puls. Het tempo zegt hoe snel die tikt, in slagen per minuut (BPM), van traag Largo tot snel Presto.
Onderwerpen
16 onderwerpen
Puls en tempo, notenwaarden en rusten, maten en maatsoorten, ritmepatronen in de ritmebox.
Onder bijna elke muziek tikt een vaste puls. Het tempo zegt hoe snel die tikt, in slagen per minuut (BPM), van traag Largo tot snel Presto.
Een noot zegt ook hoe lang ze duurt. Een hele noot is twee halve, vier kwartnoten of acht achtsten, en elke noot heeft een rust van dezelfde lengte.
Maatstrepen verdelen muziek in maten. De maatsoort vooraan, zoals 3/4 of 4/4, zegt hoeveel tellen in elke maat passen, en elke maat moet precies vol zijn.
Een ritmepatroon is een groepje slagen dat terugkomt. In een ritmebox programmeer je het zelf: basdrum, snaredrum en hi-hat op de tellen en ertussen.
De notenbalk, de sol- en fa-sleutel, het klavier met kruisen en mollen, toonladders en intervallen.
Vijf lijnen, vier tussenruimten en een sleutel vooraan: zo lees je hoe hoog een noot klinkt. Je noemt ze do, re, mi of C, D, E.
Lage instrumenten en de linkerhand van de piano lezen in de fa-sleutel. Fa staat op de vierde lijn, en de centrale do ligt precies tussen de twee sleutels.
Witte en zwarte toetsen in een vast patroon van twee en drie. Een kruis maakt een noot een halve toon hoger, een mol een halve toon lager.
Een toonladder zet acht noten in een vast patroon van hele en halve tonen. Majeur klinkt helder, mineur donkerder. Het patroon bepaalt welke kruisen of mollen je nodig hebt.
Een interval is de afstand tussen twee noten, van secunde tot octaaf. Tel de letters, en met de halve tonen weet je of het groot, klein of rein is.
Akkoorden en begeleiding, klank als trilling, de instrumenten van het orkest, stemmen en koor.
Een drieklank stapelt twee tertsen: grondtoon, terts en kwint. Majeur klinkt helder, mineur donkerder. Met drie akkoorden, I, IV en V, begeleid je al veel liedjes.
Geluid is trilling. Hoe sneller iets trilt, hoe hoger de toon, gemeten in hertz. Hoe groter de trilling, hoe luider. Een octaaf hoger trilt twee keer zo snel.
Een symfonieorkest heeft vier families: strijkers, houtblazers, koperblazers en slagwerk. Hoe een instrument zijn klank maakt, bepaalt bij welke familie het hoort.
Een koor verdeelt zich in sopraan, alt, tenor en bas, van hoog naar laag. Samen zingen ze vierstemmig: elke stem een eigen lijn, samen één akkoord.
Dynamiek en articulatie, muzikale vorm, en een stuk volgen met een luisterkaart.
Dynamiek is hoe luid of stil je speelt, van pp tot ff, met crescendo en decrescendo ertussen. Articulatie is hoe je een noot speelt: gebonden, kort of met een accent.
Muziek is gebouwd uit delen die terugkomen of veranderen. Met letters schrijf je de vorm: ABA, rondo ABACA, of couplet en refrein zoals in een popliedje.
Een luisterkaart tekent een stuk muziek in de tijd: de delen, wie er speelt, hoe luid het is. Zo luister je gericht en kun je zeggen wat je hoort.